Zoeken ENG

Pieter Ampe

Op het eerste gezicht draait het werk van Pieter Ampe om grappen en grollen. Zijn ongewone verschijning is daar debet aan. Ampe is een relatief kleine en gedrongen, licht kalende man met een enorme rosse baard. Het tegendeel van het klassieke beeld van een danser. Maar vooral zijn er die blauwe ogen die vaak wat waterig heen en weer gaan, om dan te fonkelen als hij lacht. Dan lijkt het alsof hem plots een lumineus idee voor een of ander kattenkwaad te binnen schiet. Als je Ampe ziet, kun je zelf een lach soms niet onderdrukken. Maar schijn bedriegt: Ampe zet zijn sterke appeal meer dan eens in om hoogst ongemakkelijke gedachten op te roepen.

Ampe leverde als performer een belangrijke bijdrage aan diverse stukken, o.a. het baanbrekende The Song (2009) van Rosas. Bekend werd hij echter vooral door Still Difficult Duet (2008) (gemaakt tijdens zijn opleiding in P.A.R.T.S.) en Still Standing You (2010) (geproduceerd onder de vleugels van CAMPO in Gent, waar hij sinds 2009 in residentie is), duetten die hij creëerde met de Portugees Guilherme Garrido. Beide waren ze wereldwijd een monstersucces. Ze schetsen treffend de vriendschap tussen twee (heteroseksuele) mannen. In het eerste werk hengelen beide mannen naar de gunst van de kijker. Daarbij gunnen ze elkaar het licht in de ogen niet. Toch kunnen ze elkaar evenmin missen. Daar gaat het om: hoe mannen tegelijk elkaars beste vriend en grootste rivaal kunnen zijn. Dat blijkt als de twee poedelnaakt perfect unisono dansen. Al gauw saboteren ze elkaar, eerst kwansuis, daarna openlijk. Ze brullen het uit dat het verdomd moeilijk is om samen te werken en gaan elkaar dan hardhandig te lijf. Die agressie is reëel, de pijn echt. Maar de pijn blijft onder controle. Ze weten wat ze elkaar aandoen. Zo blijft deze rituele agressie onder mannen komisch.

De verdienste van het stuk is dat het een situatie herkenbaar maakt via concrete acties, los van enig verhaal. Het is daarin schatplichtig aan voorgangers als Fabre of Vandekeybus die reële pijn en vermoeidheid inzetten als dramaturgische middelen. Ampe slaat echter een eigen toon aan: hij bespeelt vooral de verhouding met het publiek door aandacht te zoeken. Dat psychologisch mechanisme werkt op de lachspieren, al verheelt die lach de gêne over de onverbloemd primitieve, kleine kantjes van deze figuren.

Die observaties gelden ook voor de twee volgende werken van Pieter Ampe. Jake & Pete’s Big Reconciliation Attempt for the Disputes From The Past (2011) is een duet met zijn oudere broer Jacob, een muzikant. Hier staat de competitiedrang tussen broers centraal. Geweld ontbreekt, maar gêne is er weer volop, nu omwille van de schaamteloze sentimentaliteit die soms de kop opsteekt. De broers vonden namelijk inspiratie in een film over Paul Simon toen die nog een duo vormde met Art Garfunkel. Als Pieter met zijn hoofd gaat hangen op de schouder van Jakob, herken je meteen het beeld op de achterkant van de hoes van ‘Bridge over Troubled Water’. Het stuk leeft van zulke beelden. De broers spelen hun jeugdherinneringen niet na maar evoceren door hun acties de aard van hun relatie. Ze wisselen bijvoorbeeld vaardigheden uit. Jakob toont zijn kunnen met een concert van gegrom, gekreun en gesteun. Pieter neemt het voortouw als ze rondjes lopen al probeert Jakob ook dan te dirigeren. Je merkt steeds meer gelijkenissen tussen deze twee in de details, zoals de manier waarop ze hun hoofd houden. Het werk eindigt met hun versie van ‘That’s What Friends Are For’ van Burt Bacharach. Meligheid en ontroering gaan hier een onontwarbaar, tenenkrommend en ontroerend verbond aan.

Voor a coming community (2012) werkte Ampe weer samen met Guilherme Garrido, maar ook met Herman Heisig (DE) en Nuno Lucas (PT). Het kwartet speelt de verschillen tussen de mannen volop uit. Heisig is een lange, dromerige slungel, Lucas is klein, maar heeft een even forse baard als Ampe. Vergeleken bij de ondeugende Ampe oogt hij echter haast melancholisch. Garrido is dan weer het heethoofd van dienst. Zo’n diversiteit leidt als vanzelf tot conflicten en situatiehumor, maar daar blijft het, ondanks geweldige vondsten, net iets teveel bij door een gebrek aan structuur en ritme.

Ampe moet hebben beseft dat dit een doodlopende weg was. In zijn solo So you can feel (2014) is hij weer intens fysiek aanwezig, maar hier wordt het ‘gênante’ de drijvende kracht.

In deze voorstelling verkent hij en public de troebelste randen van zijn seksualiteit. Een hele poos lijkt hij alleen te spelen met de aandacht van de kijkers. Zijn buitenissige verkleedpartijen laten de sfeer echter kantelen, zeker als hij in een catsuit van netstof de publiekstribune beklimt voor een striptease-travestieshow. De gêne onder de toeschouwers stijgt dan merkbaar. Ze zien niet langer de rare kwibus maar rare gevoelens die je liever negeert. Het hek is pas echt van de dam als Ampe zich naakt vol kliedert met latexverf. De tristesse en het zelfbedrog druipen er nu vanaf. Maar nog is het niet afgelopen. De actie krijgt de allure van een primitief ritueel door een zwart-witfilm van een dansende, witgeverfde Ampe waar de ‘echte’ Ampe pover bij afsteekt. De film, als fantasie, blijkt in de werkelijkheid van het podium een triest spektakel.

Op een uur tijd liet Ampe de sfeer zo omslaan van een bedenkelijke flirt met het publiek naar een ongemakkelijke confrontatie met duistere verlangens.

Ampe’s voorlopig laatste werk, het duet We don’t speak to be understood (2015) met Benjamin Verdonck zwelgt alweer in abjecte beelden en speelt ook in op de spanning tussen de twee performers. Het werk kaart zo op een geestige manier onbegrip en wancommunicatie aan, maar onthutst toch minder dan So you can feel.

Auteur:
Pieter T’Jonck
Kijktips

Pieter T’Jonck is burgerlijk ingenieur-architect en publicist voor onder meer De Morgen en diverse tijdschriften in binnen- en buitenland. Hij schrijft over dans, theater, beeldende kunst en architectuur. T’Jonck is ook adviseur bij DasArts in Amsterdam.