Kunst in de nevelstad


Over de spreiding van de kunsten in Vlaanderen en Brussel

De kunsten in de nevelstad van morgen.

Hoe krijgen we ons werk bij een publiek, ook buiten de grote steden? Het is een vraag die bij wijze van spreken zo oud is als de kunst zelf, maar sinds kort hangt er over het antwoord een zeker crisisgevoel. In het Vlaamse kunstenveld groeit de bezorgdheid over de presentatiemogelijkheden op lokaal vlak. De vanzelfsprekendheid dat je iets maakt en er dan mee gaat toeren door het land, vertoont scheurtjes. Wat is het probleem, waar liggen er oplossingen?

Bekijk het volledige dossier
Auteur(s): Joris JANSSENS en Wouter HILLAERT

Sluiten

Joris JANSSENS is hoofd onderzoek bij Kunstenpunt.

Wouter HILLAERT is freelance podiumcriticus en redactiecoördinator bij rekto:verso.

Inleiding

Binnen de podiumkunsten en de muziek is ‘de spreidingskwestie’ niet nieuw, maar sinds het seizoen 2014-2015 signaleren gezelschappen, groepen en boekingskantoren dat hun gesprek met speelplekken over de afname van voorstellingen en concerten nog moeilijker is geworden. Het gevolg: krimpende speelreeksen, zeker voor risicovoller werk. In de beeldende kunst speelt die zorg ook, maar op een andere manier. Presentatiemogelijkheden voor actuele beeldende kunst waren altijd al beperkter, omdat tentoonstellingen niet reizen en omdat het hele netwerk van cultuurcentra zich altijd hoofdzakelijk op podiumkunsten en muziek heeft gericht. Dat lijkt misschien een detail, een louter intern probleem binnen de kunsten, maar in essentie gaat het hier om een democratisch vraagstuk. Heeft elke Vlaming wel dezelfde kansen om in zijn nabije omgeving in contact te komen met professionele kunsten? Juist volgens dat principe – directe toegang tot goeie kunst – werd vanaf de jaren 1970 een heel net van cultuurcentra uitgerold over Vlaanderen. Terwijl die directe toegang nooit ten volle gerealiseerd is voor professionele beeldende kunst, dreigt ze nu misschien ook af te brokkelen voor theater, dans en muziek?

Naast het louter aanbieden van artistieke productie(s) zouden presentatie-instellingen nog meer kunnen optreden als cultureel en maatschappelijk bemiddelaar.

Het spreidingsdebat gaat dus niet alleen over meer of minder presentatiemogelijkheden, maar ook over de nood aan een kwalitatieve opwaardering van kunstpresentatie buiten de steden. Wat is de waarde van kunst voor de leefomgeving van mensen? Hoe realiseer je die waarde ook voor mensen bij wie namen als De Roovers of Flat Earth Society niet meteen veel belletjes doen rinkelen? Veertig jaar lang was het antwoord evident: elders gemaakte voorstellingen werden met een beperkte omkadering getoond in het circuit van de kunsten- en cultuurcentra. Vandaag leeft echter steeds meer het gevoel dat dit traditionele model van kunstproductie en -spreiding kansen laat liggen om de waarde van kunst ten volle te oogsten. Naast het louter aanbieden van artistieke productie(s) zouden presentatie-instellingen nog meer kunnen optreden als cultureel en maatschappelijk bemiddelaar: niet alleen kunst in de etalage plaatsen, maar dat ook als een aanleiding zien om er extra verbindingen rond te creëren in de lokale omgeving. Zeker in het licht van een aantal maatschappelijke ontwikkelingen is dat een urgente kwestie. Binnen en buiten onze steden ‘verkleurt’ de bevolking, terwijl de jongste editie van de Participatiesurvey laat zien dat vooral jongeren steeds minder aansluiting lijken te vinden bij de ‘hogere kunsten’.

Zorgen in de nevelstad

Een troef die onze regio onderscheidt van vele andere landen: een fijnmazig netwerk van culturele infrastructuur over het hele grondgebied.

Algemeen leeft het gevoel dat we ons op een keerpunt bevinden voor de rol en de betekenis van kunst in de lokale context. Zeker in Vlaanderen staat er niet weinig op het spel. De spreiding van het kunstenaanbod vormde de laatste halve eeuw een speerpunt van het cultuurbeleid. Dat leidde tot een troef die deze regio onderscheidt van vele andere landen: een fijnmazig netwerk van culturele infrastructuur over het hele grondgebied. Zowel de Landschapstekening Kunsten als de Strategische Visienota Kunsten van minister Sven Gatz (Open VLD) hebben het over een ‘culturele nevelstad’. Dat beeld wordt wel vaker gebruikt als het gaat over ruimtelijke ordening in Vlaanderen. Hier zijn stedelijke functies niet exclusief geconcentreerd in (groot)stedelijke centra, maar ook steeds meer verspreid over (voorheen) landelijk gebied. Zo krijg je een uitgestrekt en ‘nevelachtig’ stedelijk weefsel. Dat geldt zeker ook voor ons cultuurlandschap, beschrijft Wouter Davidts in zijn paper ‘Vlaanderen Culturele Nevelstad’: "Cultuur en kunst zijn hier overal, als het bloed door de aderen van een wijdvertakt netwerk van kunsten- en cultuurcentra, musea en galeries, muziekclubs en cafés, jeugdhuizen en seniorencentra."

Niet alleen op het podium, ook achter de schermen verhoogt de druk.

Alleen staat het aanbod in de nevelstad onder toenemende druk. Bezuinigingen op het kunsten- en cultuurbeleid, zowel bij de Vlaamse Gemeenschap als bij de gemeenten, hebben hun weerslag op het programmeringsbudget van heel wat kunsten- en cultuurcentra. Uit een bevraging van de Vereniging van Vlaamse Cultuur- en Gemeenschapscentra (VVC) bleek in 2014 dat 38% van de cultuurcentra hun programmeringsbudget had moeten verlagen ten opzichte van 2011. Programmatoren kunnen dan per seizoen minder werk laten zien, of moeten de tering naar de nering zetten. Het verkleint de diversiteit van het aanbod in de nevelstad: in vele cultuurcentra is bijvoorbeeld minder risicovol en meer goedkoper werk te zien. En niet alleen op het podium, ook achter de schermen verhoogt de druk. Er wordt bezuinigd op personeel, waardoor vele lokale cultuurwerkers hun takenpakket zien uitbreiden en de werkdruk voelen toenemen. Voor hen zijn er steeds minder mogelijkheden om te prospecteren, hun netwerk in de professionele kunsten uit te blijven bouwen en hun gidsfunctie voor het lokale publiek waar te maken.

Van één naar 308 cultuurministers

Naast die besparingen zijn er ook een aantal ingrijpende bestuurlijke wijzigingen die de lokale spreiding van het aanbod binnenkort nog verder kunnen doen afkalven. Om te beginnen wordt de rol van de provincies op het vlak van cultuur ingeperkt. Die rol ging in het verleden verder dan subsidiëren. Provincies gaven bijvoorbeeld ook impulsen op het vlak van programmering en/of een gezamenlijke cultuurcommunicatie (bijvoorbeeld Vlabr’accent of een platform als Dans in Limburg). Voor het wegvallen van het provinciale cultuurbeleid wordt nog naar oplossingen gezocht, maar zeker voor de spreidingskwestie branden hier knipperlichtjes.

Nog fundamenteler is de decentralisering van het lokaal cultuurbeleid. In het verleden werden cultuurcentra en bibliotheken gecofinancierd door de Vlaamse overheid, via het Decreet Lokaal Cultuurbeleid. Maar bij aanvang van de legislatuur 2014-2019 besliste de Vlaamse Regering dat de Vlaamse middelen voor het lokaal cultuurbeleid zullen opgaan in het ‘Gemeentefonds’, zonder oormerking. Voortaan hoeven gemeenten dat geld dus niet langer te besteden aan hun cultuurbeleid. Ze kunnen het ook gebruiken voor pakweg de renovatie van de winkelstraat of om hun gemeentelijke schulden te dempen. Of dat ook zal gebeuren? Believers (zoals Sven Gatz) zeggen dat het allemaal niet zo’n vaart zal lopen. Zij vragen om vertrouwen in de wijsheid van lokale besturen. Non-believers daarentegen waarschuwen voor een commercialisering van de programmering, waarbij ze wijzen op de ontwikkelingen in Nederland.

Het Decreet Lokaal Cultuurbeleid werkte als een hefboom voor de Vlaamse Gemeenschap om het uitgebouwde netwerk van de cultuurcentra in te schakelen voor haar eigen beleidsdoelstellingen. In de toekomst valt dat weg.

Hoe dan ook gaat de mogelijke impact van de decentralisering veel verder dan de vraag of de cultuurcentra meer of minder geld zullen hebben. Het Decreet op het Lokaal Cultuurbeleid was veel meer dan een vehikel voor de Vlaamse (co)financiering van lokale spelers. Het was het wettelijke kader dat cultuur- of gemeenschapscentra as such erkende en categoriseerde. Samen met de Vlaamse subsidies kwamen er normen en verplichtingen, die samenhingen met Vlaamse beleidsdoelstellingen (zoals juist de spreiding van het gesubsidieerde aanbod). Kortom, het decreet had een fundamentele impact op de missie en de kernopdrachten van cultuurcentra. Het werkte als een hefboom die de Vlaamse Gemeenschap in staat stelde om het uitgebouwde netwerk van de cultuurcentra in te schakelen voor haar eigen beleidsdoelstellingen. In de toekomst valt dat weg. De cultuurminister heeft, vanuit zijn vogelperspectief, voortaan niets meer in te brengen over lokaal cultuurbeleid. Als hij dat nog ergens voor zou willen engageren, kan hij dat hoogstens eens lief vragen aan de gemeenten. Cultuurcentra zijn straks immers de exclusieve eigendom van burgemeester en schepenen, wat de facto wil zeggen dat hun profiel in de ene gemeente helemaal anders kan worden dan in de naburige gemeente. Wat zal daarvan de impact zijn op de kwaliteit en de diversiteit van het kunstenaanbod in de ‘nevelstad’?

Oefenen voor nieuwe tijden

Sommige gemeenten zullen hun cultuurbeleid afbouwen, maar andere kunnen zich mogelijk juist profileren als culturele hotspots.

​​​​​Doemdenken zal weinig zoden aan de dijk brengen. Waarom niet veeleer op zoek gaan naar nieuwe kansen? Sommige gemeenten zullen hun cultuurbeleid inderdaad afbouwen, maar andere kunnen zich mogelijk juist profileren als culturele hotspots. Zo bleek uit dezelfde bevraging van de VVC dat er ook cultuurcentra zijn waar het programmeringsbudget stijgt. Los van Vlaamse normen of vereisten openen zich voor het lokale aanbod mogelijkheden om meer ‘op maat’ in te spelen op de noden en de dynamiek van de lokale omgeving.

Waarom het lokale dan niet veeleer begrijpen als de voedingsbodem voor nieuwe tijden, als dé oefenzone bij uitstek voor uitdagingen als korteketeneconomie, de maatschappelijke inbedding van cultuur, sectoroverschrijdende verbinding en participatie?

Dat is overigens niet alleen een uitdaging voor lokale presentatie-instellingen, maar ook voor de kunstensector zelf. Die huivert vaak van de gedachte ‘op maat van de lokale omgeving’, en ziet dan doembeelden als glad entertainment, politieke nepotisme en over het paard getilde amateurkunstenaars. Maar bekijkt de kunstensector ‘het lokale’ niet al te makkelijk als de (achtergebleven?) achtertuin van het experiment in de grote steden? Als de ingedommelde nederzettingen rond de parochiekerk waar de vernieuwing later komt en het volk nog opgevoed moet worden? Zo zijn de cultuurcentra ooit bedacht en verspreid over het land. Maar voor de toekomst is een heel andere utopie denkbaar. Een aantal sociale uitdagingen waartoe ook de kunstensector zich zal moeten verhouden (vergrijzing, vergroening, verkleuring,...), tonen zich juist lokaal heel concreet. Waarom het lokale dan niet veeleer begrijpen als de voedingsbodem voor nieuwe tijden, als dé oefenzone bij uitstek voor uitdagingen als korteketeneconomie, de maatschappelijke inbedding van cultuur, sectoroverschrijdende verbinding en participatie?

Het is geen toeval dat kunstenorganisaties steeds meer op zoek zijn naar diverse horizontale, sectoroverschrijdende verbindingen, zoals in lokale Green Track-netwerken of in het kader van Pulse, het transitienetwerk cultuur.

Op sommige plekken is dat al geen utopie meer. In de praktijk van kunstenaars en gezelschappen zie je een groeiende interesse voor bijvoorbeeld werken in de publieke ruimte en experimenten met nieuwe vormen van (co)creatie. Ze ontwikkelen andere presentatieformats, ook buiten de muren van schouwburgen en kunsthuizen: van het lokale rusthuis tot de Fordfabriek bij Genk. Die keuze motiveren ze niet zozeer vanuit het idee dat ‘de sector moet dringend iets doen aan zijn draagvlak’, wel vanuit het besef dat onze samenleving als geheel voor een aantal sociale, economische, politieke en ecologische uitdagingen staat, waar de kunsten niet van los te maken vallen. Ze zien in de verbeeldingskracht en de subversiviteit van de artistieke blik een mogelijke bijdrage aan een breder proces van maatschappelijke transitie naar een duurzamere samenleving. Het is dan ook geen toeval dat kunstenorganisaties steeds meer op zoek zijn naar diverse horizontale, sector-overschrijdende verbindingen, zoals in lokale Green Track-netwerken of in het kader van Pulse, het ‘transitienetwerk cultuur’.

Ook voor cultuurcentra liggen hier nieuwe mogelijkheden. Eerder dan de etalage van (elders geproduceerd) werk, kunnen ze die nieuwe toekomst mee vormgeven, als ‘borrelpotten’ voor de cultuur van de toekomst, als ateliers voor ontwikkeling, creatie en participatie. Individueel én collectief zijn de cultuurcentra nu al volop bezig met het herdenken van hun opdracht, hun structuur, hun infrastructuur en werkprocessen.

Tijd voor transitiebeleid

Kortom, we moeten de ‘spreidingskwestie’ vandaag veel breder bekijken dan als een louter probleem van krimpende speelreeksen. De lokale presentatie van kunst staat op een tweespalt, tussen consolidatie en transitie. Niemand twijfelt eraan dat het fijnmazige netwerk van culturele infrastructuur en kunstenaanbod in de Vlaamse ‘nevelstad’ een grote troef is. Maar ‘verankeren’ betekent tegelijk ook ‘veranderen’. En dat wordt geen sinecure. Zowel beleidsmakers, presentatieplekken als artistieke producenten mogen dan wel aanvoelen dat het aloude cultuurpolitieke ideaal van ‘spreiding van hoge kunst’ steeds meer aan het eroderen is, dat ideaal zit op vele plekken wel nog altijd stevig ingebakken in de bakstenen en de overgeleverde werkmodellen in bijvoorbeeld cultuurcentra. Daaraan morrelen is voorlopig erg kwetsbaar. Het vergt een complex proces dat tijd en ruimte biedt voor ontwikkeling, en dus een investering in een zoektocht waarvan de uitkomst niet op voorhand gegeven is. Hoe die precaire pogingen van kunstenaars en bemiddelaars met vertrouwen ondersteunen?

Bij beleidsmakers op diverse overheidsniveaus vergt de transformatie van de culturele nevelstad Vlaanderen een nieuwe denkoefening.

Daar moet beleid voor ontwikkeld worden: een transitiebeleid voor spreiding. Want ook bij beleidsmakers op diverse overheidsniveaus vergt de transformatie van de culturele nevelstad Vlaanderen een nieuwe denkoefening. Hoe zal het lokale bestuursniveau vorm geven aan zijn toegenomen autonomie? Welke nieuwe oplossingen bedenkt de cultuurminister voor het gat dat de weggevallen provincies zullen slaan in het cultuurbeleid voor het bovenlokale niveau? Een aantal steden en gemeenten experimenteert al volop met nieuwe formats voor hun kunsten- en zelfs hun kunstenaarsbeleid, met nieuwe vormen van opdrachtgeverschap, kunst in de publieke ruimte, atelierbeleid, ... Vaak betrekken ze daarbij andere beleidsdomeinen, van toerisme en economie tot stadsontwikkeling. Maar wat met kleinere steden en gemeenten, die soms te weinig longinhoud en expertise hebben om dat democratische potentieel ten volle waar te maken? Welke hefbomen kan Vlaanderen nog ontwikkelen om de kwaliteit en de diversiteit van het kunstenaanbod in de nevelstad te blijven stimuleren, terwijl het haar zeggenschap daarover heeft uitgeleverd? En hoe zullen het Vlaamse en het lokale beleidsniveau in de toekomst met elkaar in gesprek gaan, over wederzijdse ambities, doelstellingen en ondersteuningsmogelijkheden voor de kunsten in de samenleving van morgen?

Naar een nieuw spreidingsdebat?

Kunstenpunt en rekto:verso zien dit dossier als opmaat voor een nieuw debat over de spreiding van de kunsten in Vlaanderen en de rol van de verschillende beleidsniveaus ter zake.

Om het debat over deze vragen aan te vuren, slaan Kunstenpunt en rekto:verso de handen in elkaar. In vier etappes publiceren we een onlinedossier over de spreiding van het kunstenaanbod in Vlaanderen en over ‘complementair kunstenbeleid’. De komende weken publiceren we facts and figures over de spreiding van het kunstenaanbod in Vlaanderen, verrijkt door getuigenissen van betrokkenen.

Kunstenpunt en rekto:verso zien dit dossier als opmaat voor een nieuw debat over de spreiding van de kunsten in Vlaanderen en de rol van de verschillende beleidsniveaus ter zake.

(1) Op 8 maart verschijnt een eerste reeks bijdragen, die focust op muziek. Om te beginnen zijn er nieuwe cijfers: hoeveel concerten werden er in 2014 georganiseerd in Vlaanderen en Brussel, en waar? Wat is het aandeel van private en gesubsidieerde initiatiefnemers? Wat is de impact van de verschillende beleidsniveaus? Voor deze analyse doen we een beroep op twee gegevensbronnen: de UiTdatabank van Cultuurnet Vlaanderen en de databank van SABAM. Parallel verschijnt een bijdrage van onderzoeksjournalist Nico Kennes, over knelpunten bij de spreiding van concerten in Vlaanderen

Een tweede reeks bijdragen focust op actuele beeldende kunst. Een cijferanalyse, op basis van de beeldendekunstkalender van Kunstenpunt en het tijdschrift H ART, laat zien wie in 2013 en 2014 tentoonstellingen organiseerde, en waar. Verder brengt Wouter Hillaert in beeld welke inhoudelijk ontwikkelingen en nieuwe initiatieven zich aftekenen in de presentatie van beeldende kunst op lokaal vlak.

Een derde dubbelluik van artikelen focust op theater en dans, waar het spreidingsdebat al langer woedt. Ook hier brengen we via de UITdatabank in kaart wie in Vlaanderen en Brussel theater- en dansvoorstellingen organiseert en waar. We kiezen ook het perspectief van producenten. De podiumkunstendatabase van Kunstenpunt en de gegevens van het Departement CJSM werpen ook licht op veranderende manieren van maken en tonen, in binnen- en buitenland. Ook hier peilen we op basis van vele gesprekken met betrokkenen naar wat de spreidingskwestie in de podiumkunsten vandaag extra urgent maakt.

In een vierde etappe trekken we algemene conclusies uit al deze kwantitatieve en kwalitatieve analyses. Wat leren we over de geografische spreiding van het kunstenaanbod in Vlaanderen en Brussel, over het samenspel tussen ‘de markt’ en het cultuurbeleid in de verschillende artistieke disciplines, over de rol van de verschillende beleidsniveaus? Hoe nemen we deze inzichten mee naar de toekomst? Hoe kunnen ze vertaald worden naar nieuwe modellen voor de praktijk en het cultuurbeleid?