Zoeken ENG

Bára Sigfúsdóttir

Bára Sigfúsdóttir is een IJslandse choreografe die woont en werkt in Brussel. Van 2008 tot 2011 studeerde ze aan P.A.R.T.S. Tevoren volgde ze dansopleidingen aan de Icelandic Academy of Arts en de Amsterdamse Hogeschool voor de Kunsten. Sinds haar studies werkte Bára als performer bij o.a. Or and Oran dance company, Miet Warlop (voor een vervanging in de voorstelling Springville), Iris Bouche en Kobe Proesmans (voor HETPALEIS), Aëla Labbe en Janne-Camilla Lyster. De afgelopen jaren komt haar eigen werk evenwel meer op de voorgrond. In 2012 creëerde ze de solo On the other side of a sand dune, in samenwerking met IJslands musicus Sóley. In 2015 volgde THE LOVER, in samenwerking met de Franse fotografe Noémie Goudal, architect Jeroen Verrecht/88888 en IJslands muzikant Borko. THE LOVER werd datzelfde jaar geselecteerd voor Circuit X, dat jaarlijks vijf veelbelovende theatermakers de kans geeft een ruime tournee te maken in Vlaanderen en Nederland.

Voor Bára Sigfúsdóttir zijn lichaam en beweging het ruwe werkmateriaal dat ze kneedt in antwoord op menselijke en wereldlijke kwesties. "Beweging kan wat dan ook zijn en waar dan ook vandaan komen," zegt ze daarover. "Elk klein detail van mijn lichaam kan even interessant zijn. Voor mij gaat creatie voorbij aan het esthetische of aan het pronken met vakkundigheid. Het gaat niet over mooier of minder mooi zijn. Het is eenvoudiger en fundamenteler dan dat: ik neem het menselijk lichaam als uitgangspunt. Van het lichaam live op de scène koester ik de kwetsbaarheid, de fragiliteit van wat leven is."

In haar creaties neemt ze iets tastbaars als uitgangspunt of concept – in On the other side of a sand dune de herinneringen van oude IJslandse vrouwen en in THE LOVER de relatie tussen mens en natuur – om via improvisatie te komen tot nieuwe bewegingen en lichaamsbeelden. De bewegingen of beelden die ze op de scène creëert, zijn tegelijkertijd opgeladen door de geëngageerde inhoudelijke inzet van de voorstelling, maar zijn in hun eenvoud en abstractie ook erg open voor de interpretatie van de toeschouwers.

Interessant aan het werk van Sigfúsdóttir is dat zo de ogenschijnlijk abstractere ‒ en in die zin ‘moeilijke’ ‒ dans net het resultaat is van een doorgedreven zoektocht naar een grote toegankelijkheid. De enige code die toeschouwers moeten kraken, is die van het zelfvertrouwen om de eigen verbeelding toe te laten als bepalende factor.

Bára Sigfúsdóttir verwacht van de toeschouwers dat ze zelf hun verbeelding aan het werk zetten, maar rekent op het feit dat we als mensen onmogelijk kunnen kijken zonder betekenis te geven aan wat we zien, zonder de beelden op de scène meteen te associëren met wat we zelf in onze rugzak hebben zitten. De grote ruimte voor de interpretatie van het publiek die Sigfúsdóttir in haar voorstellingen tracht te houden, komt voort uit een sterke wil om werk te maken dat toegankelijk is voor een grote diversiteit aan publiek; dans die niet doorspekt is met codes die je pas kunt ontcijferen als je eerder al veel kunst of dans hebt gezien. Het lichaam is de meeting ground tussen de danser en het publiek, hetgeen wat ze, doorheen al hun verschillen, onvermijdelijk gemeenschappelijk hebben. Interessant aan het werk van Sigfúsdóttir is dat zo de ogenschijnlijk abstractere ‒ en in die zin ‘moeilijke’ ‒ dans net het resultaat is van een doorgedreven zoektocht naar een grote toegankelijkheid. De enige code die toeschouwers moeten kraken, is die van het zelfvertrouwen om de eigen verbeelding toe te laten als bepalende factor.

Een sleutelmoment voor Bára Sigfúsdóttir met betrekking tot de creatie van On the other side of a sand dune was de kennismaking met Brits theaterregisseur Tim Crouch. “Als ik Hamlet speel en ik zeg ‘Hallo, ik ben Hamlet’, dan ben ik ook Hamlet. Ik hoef niets anders te doen om dat te bewijzen, bijvoorbeeld via een kostuum of de scenografie,” stelt Crouch. Onze verbeelding is zo sterk dat we sowieso meteen beelden en referenties projecteren. Dat idee exploreerde Sigfúsdóttir in On the other side of a sand dune. Daarin verbeeldt ze een persona die onafhankelijk van tijd en ruimte bestaat. Voor dat stuk interviewde ze verschillende oude IJslandse vrouwen in bejaardentehuizen, op het platteland en in Reykjavik, en liet zich inspireren door de verhalen van hun jeugd, hun visie op het leven en hoe de wereld en onze relatie tot de natuur in enkele generaties drastisch zijn veranderd. Al deze verhalen kwamen samen in één relaas waarin Sigfúsdóttir navigeert doorheen tijd en ruimte. In het stuk komt een theatrale scène voor waarin ze vertelt over een man op wie ze verliefd is en langs haar neus weg zegt dat hij 85 jaar is. Zo’n statement doet het publiek initieel schrikken of lachen, want op de scène staat een jonge vrouw. Maar wanneer de monoloog wordt voortgezet, wordt duidelijk dat de figuur die ze op dat moment belichaamt misschien even oud is als die man. Enkele woorden of hints brengen het publiek zover om dat te begrijpen, zonder dat Sigfúsdóttir daar kostuumwissels of expliciete uitspraken voor nodig heeft.   

"Hoe kan ik daar zijn, zonder teveel mezelf te zijn? Hoe kan ik iemand zijn. Dat is wel wat: een performer is altijd met zichzelf, dat kun je niet veronachtzamen in je werk."

Waar On the other side of a sand dune een erg theatrale voorstelling is, brengt THE LOVER louter beweging. In de creatie van THE LOVER ging Bára Sigfúsdóttir op zoek naar verschillende kwaliteiten van aanwezigheid op de scène en naar een transparantere manier om haar lichaam te gebruiken."Hoe kan ik daar zijn, zonder teveel mezelf te zijn? Hoe kan ik iemand zijn. Dat is wel wat: een performer is altijd met zichzelf, dat kun je niet veronachtzamen in je werk." Hoe om te gaan met het feit dat je lichaam is wat het is, met alle kenmerken die het heeft in de ogen van het publiek – mager, blond, blank, groot – zonder daar zelf ook maar verder betekenis aan toe te kennen? Hoe om te gaan met jezelf als lichaam, op de basaalste manier – niet anoniem, maar ook niet persoonlijk – zodat het publiek zich daar verbonden mee kan voelen?

THE LOVER is een stuk dat gaat over de relatie tussen mens en natuur. Het bovenstaande fragment is deel van de openingsscène waarin Sigfúsdóttir neerzit, met haar armen gestrekt en handen voor zich op de grond. Heel traag beginnen haar ellebogen te roteren en voorwaarts en achterwaarts te bewegen, terwijl haar handpalmen vast op de grond blijven. Het zijn erg kleine bewegingen waarvan je als publiek (vanop een afstand) niet zeker weet of je ‘het begin’ gemist hebt of niet, maar er is ruim de tijd om ze op te merken en te monsteren zodra de bewegingen stilaan groter worden. Het is een heel eenvoudig beeld dat veel mogelijke referenties in zich draagt die verband houden met het thema van de voorstelling. De lange armen lijken wel pilaren van gebouwen of zijn net bomen met de vingers als wortels – referenties aan de stilaan door de natuur ingenomen ruïne op de foto’s van Goudal, die later groot op de achterwand verschijnen. Maar de gebogen armen kunnen net zo goed doen denken aan de wankele pootjes van een pasgeboren veulen. Voor de ontwikkeling van het bewegingsmateriaal in THE LOVER werkte Sigfúsdóttir grotendeels vanuit de gewrichten: de delen van het lichaam die intuïtief aanvoelen als kwetsbaar. De ellebogen zijn de schakel tussen rechte en ‘gebroken’ armen. Door de beweging van de armen in de openingsscène te isoleren van de rest van haar lichaam en door als het ware vanop een afstand zelf mee te zitten kijken naar wat haar armen doen, brengt Sigfúsdóttir ook een gevoel van vervreemding aan, waarbij het menselijke lichaam een ‘ding’ lijkt te worden. Ook dat opent een register van vragen over de verhouding tussen mens – natuur – en ding.

In het volgende fragment uit de voorstelling wordt duidelijk hoezeer eenzelfde beweging niet alleen erg verschillend kan zijn in de betekenis die het publiek projecteert, maar hoezeer de ruimte van interpretatie ook echt wordt afgebakend door de performer en diens skills.

Sigfúsdóttirs zoektocht in THE LOVER is die naar een zo transparant mogelijke aanwezigheid op de scène. Een andere formulering die ze daarvoor gebruikt, is dat ze geen ‘commentaar’ wil leveren bij de beweging die ze brengt terwijl ze die brengt. Hoe kan het lichaam iets performen dat het lichaam zelf laat zien, zonder veel toe te voegen? In de scène in dit videofragment beweegt Bára Sigfúsdóttir haar tong traag in en uit haar mond, tot de tong een heel eigen leven gaat leiden, en dat zo lang dat het speeksel stilaan uit haar mondhoeken druipt. Het is een beeld (dat in de voorstelling verder loopt dan in het geknipte fragment) dat viscerale reacties zou kunnen uitlokken en makkelijk over the top worden als de performer een sterke intensiteit in de blik of gezichtsuitdrukking legde. Sigfúsdóttir houdt het aangezicht en de rest van haar lichaam echter bewust ontspannen en neutraal, hoewel ze duidelijk geconcentreerd is op de taak. Het maakt de scène erg sterk, omdat de uitgestoken en kronkelende tong enerzijds erg beladen is als beeld, maar anderzijds door Sigfúsdóttir gehouden wordt bij wat het is in de pure lichamelijkheid: een tong.

Het fragment laat ook erg mooi zien hoe de voorstelling met de sound van Borko en de bijzonder scenografie van 88888, met de foto’s van Goudal, meer een ge­samt­kunst­werk is dan een ‘dansvoorstelling’.

Auteur:
Delphine Hesters
Kijktips

Delphine Hesters is coördinator podiumkunsten en medewerker onderzoek en beleid bij Kunstenpunt.