Actuele beeldende kunst in Vlaanderen


Het aanbod in 2014 in kaart gebracht

Auteur(s): Joris Janssens, Dirk De Wit, An Seurinck

Sluiten

Joris Janssens is hoofd onderzoek bij Kunstenpunt. 
Dirk De Wit is hoofd internationale relaties en beeldende kunst bij Kunstenpunt.
An Seurinck is medewerkster communicatie en praktijkondersteuning beeldende kunst bij Kunstenpunt. 

Inleiding

(Afbeeldingen v.b.n.o: Senne Van der Ven, Opening Contour 2013, 6de Bïennale voor Bewegend Beeld - Bert Danckaert, Simple Present, Netwerk / centrum voor hedendaagse kunst, 08.12 2013-09.03 2014 - Credits: Netwerk)

Het debat over de spreiding van het kunstenaanbod is vandaag zeer urgent. Na bezuinigingen op de cultuurbudgetten, zowel op Vlaams als lokaal niveau, leeft de vraag of er gaten vallen in het kunstenaanbod, zowel wat betreft de diversiteit als de geografische spreiding. Binnen theater en muziek wordt het zogenoemde ‘spreidingsdebat’ al lang gevoerd. Door de bezuinigingen en bestuurlijke veranderingen is er meer dan ooit bezorgdheid over slinkende presentatiemogelijkheden, zeker voor moeilijker werk of jong talent. In de beeldende kunsten speelt die zorg ook, maar dan op een andere manier. Niet alleen verloopt de ‘spreiding’ van beeldende kunst in de praktijk helemaal anders dan binnen de ‘levende’ kunsten. Beeldend kunstenaars maken namelijk geen producties die vervolgens op tournee gaan. Tentoonstellingen zijn doorgaans unieke projecten, waarbij curatoren onderzoek doen naar oeuvres en op basis daarvan een precieze selectie maken uit (bestaand of nieuw) werk van één of meer kunstenaars. Dat is een duur en arbeidsintensief proces, dat specifieke skills en netwerken vereist. Het aantal plekken in Vlaanderen dat daarvoor het nodige budget, het personeel en de infrastructuur heeft, is altijd schaars geweest. De musea voor hedendaagse kunst werden opgericht in de jaren 1970 en 1980. Het hele netwerk van cultuurcentra dat sinds de jaren 1960 is uitgebouwd en toen een belangrijke rol speelde in het presenteren van actuele beeldende kunst, richtte zich sinds zijn professionalisering in de jaren 1980 vooral op theater en muziek.

De laatste tijd zien we in Vlaanderen echter interessante ontwikkelingen bij de uitbouw van een veld voor beeldende kunst. Sinds 2006 zorgt het Kunstendecreet voor meer continuïteit voor een aantal beeldendekunstorganisaties, die voordien vooral op projectmatige basis werden ondersteund. De helft ervan is nauwelijks tien jaar oud (zoals Wiels, Extra City, Kiosk, Objectif, Contour,...). Er zijn ook heel wat steden die de laatste tien jaar actief hebben ingezet op de ontwikkeling van een kunsten(aars)beleid, via evenementen, atelierbeleid of de ondersteuning van grotere en kleinere presentatieplekken. Ook privé-initiatief dat steeds belangrijk is geweest in Vlaanderen ontwikkelt zich volop door nieuwe galeries of private verzamelingen die hun collecties openstellen. Vooral Brussel blijkt de laatste jaren een aantrekkingspool voor galeries, uit binnen- en buitenland. Maar er zijn ook steeds meer kleinschalige initiatieven van kunstenaars en/of curatoren in niet-gesubsidieerde offspaces in steden.  

Kortom, terwijl de presentatiemogelijkheden voor hedendaagse beeldende kunst historisch gezien zeer beperkt waren, zien we de laatste tien à vijftien jaar interessante nieuwe ontwikkelingen: zowel privaat als publiek, zowel op het Vlaamse als op het lokale beleidsniveau. Vandaag lijken we ons echter op een keerpunt te bevinden.

Zijn de bezuinigingen en de bestuurlijke veranderingen een bedreiging, die deze nieuwe ontwikkelingen in de kiem zullen smoren? Of gaat de reflectie over de veranderende rol van de verschillende beleidsniveaus gepaard met een nieuwe exploratie van wat hedendaagse beeldende kunst in een lokale context kan betekenen? Vooral zijn er vele vragen over hoe het samenspel tussen de verschillende types van spelers -- musea (erfgoed) en kunsthallen, publiek en privé, Vlaams of lokaal -- in de toekomst vorm kan krijgen, nu de decentralisering van het cultuurbeleid een feit is.


Facts and figures

(Afbeelding: Matthias Yzebaert)

Binnen de context van een ‘kunstenbreed’ dossier over de presentatiemogelijkheden voor de kunsten in Vlaanderen, wil Kunstenpunt het debat voeden door in eerste instantie het tentoonstellingsaanbod voor professionele beeldende kunst in kaart te brengen. Hoewel er ook andere vormen bestaan om kunst publiek te maken -- zoals kunstopdrachten in de publieke ruimte of het lenen van kunst aan democratische voorwaarden, zoomen we in deze studie hoofdzakelijk in op de tentoonstelling als een manier om kunst publiek te maken. Hoeveel tentoonstellingen werden er in 2013 en 2014 georganiseerd? Wie organiseerde die? En waar vonden ze plaats: in welke provincies, binnen of buiten stedelijk gebied?

Om een antwoord te geven op deze vragen, baseren we ons in deze bijdrage op de gegevens uit de beeldendekunstagenda van Kunstenpunt en H ART. Beide publiceren op hun respectieve websites een agenda waarop tentoonstellingen voor professionele aanbod van hedendaagse beeldende kunst worden geafficheerd. De basis voor deze kalender is de UiTdatabank, de database achter www.uitinvlaanderen.be. Binnen de brede waaier (1) van daar ingevoerde evenementen, maken de medewerkers van Kunstenpunt en H ART voor hun eigen kalender een scherpe selectie, die zich richt op professionele, actuele beeldende kunst.

Alleen tentoonstellingen van professionele kunstenaars worden geselecteerd, amateurkunsten niet. Ook op commerciële tentoonstellingen wordt een selectie toegepast. In de kalender van Kunstenpunt en H ART worden alleen evenementen opgenomen van promotiegaleries: dat zijn galeries die niet alleen werk verkopen, maar ook de langetermijnpromotie van beeldende kunstenaars behartigen via tentoonstellingen, publicaties en de vertegenwoordiging op beurzen. Galeries die zich louter richten op verkoop worden niet opgenomen in de selectie. Niet alle promotiegaleries voeren hun tentoonstellingen echter in. Vooral Brusselse galeries maken actief gebruik van de UiTdatabank (via agenda.be, dat vervolgens doorstroomt naar de UiTdatabank). In Antwerpen en Gent wordt er minder ingevoerd. Ook algemener is er niet de garantie dat de kalender exhaustief is. Kleinere privé-initiatieven vinden immers niet altijd de weg naar de UiTdatabank. Om de kalender zo compleet mogelijk te maken, stimuleren Kunstenpunt en H ART ook kleinere organisaties om hun activiteiten toch te registreren.

(1) Vele organisatoren van cultuurevenementen uit Vlaanderen en Brussel gebruiken de UiTdatabank om hun initiatieven bekend te maken bij een breed publiek. De waaier van ingevoerde events is heel breed. Soms gaat het over tentoonstellingen van professionele kunstenaars, soms over amateurkunstenaars. Sommige evenementen hebben een strikt lokale uitstraling, andere resoneren internationaal.

Hoeveel tentoonstellingen werden er georganiseerd in 2013 en 2014?

De beeldendekunstkalender van BAM en H ART is volledig operationeel sinds 2013. In wat volgt, brengen we het tentoonstellingsaanbod voor 2013 en 2014 in kaart. Het gaat om 1.390 unieke tentoonstellingen in de beide jaren samen.

  • Voor 2013 tellen we 673 unieke tentoonstellingen (waarvan er 52 al in 2012 waren geopend en 73 doorliepen tot in 2014).
  • Voor 2014 tellen we 790 tentoonstellingen (waarvan er 73 al in 2013 openden, en 68 ook in 2015 of later nog te bezoeken waren).

Die 1.390 tentoonstellingen duurden gemiddeld 51 dagen. In vijftien gevallen ging het om een eendaags evenement. De langst lopende expo is bij publicatie nog steeds toegankelijk. Die duurt maar liefst vier jaar: het project Coming World Remember Me in Ieper begon om symbolische redenen in 2014 en loopt door tot 2018.

In wat volgt brengen we in kaart wie die tentoonstellingen organiseerde, en waar ze plaatsvonden.

Wie organiseerde die tentoonstellingen?

Al die tentoonstellingen werden georganiseerd door 378 verschillende organisatoren. Aan de basis van de piramide tellen we 185 organisatoren die in de onderzochte twee jaar slechts één tentoonstelling organiseerden. De andere exposanten werkten met meer regelmaat. 98 organisatoren zetten minstens vijf expo’s op, 34 organiseerden tien tentoonstellingen. De bedrijvigste tentoonstellingsplek (BOZAR) tekende voor 24 titels op twee jaar tijd.

Om straks de stap te kunnen zetten naar de beleidsdiscussies, maakte Kunstenpunt een typologie van al deze actoren. Om te beginnen maken we een onderscheid tussen gesubsidieerde en niet-gesubsidieerde initiatieven.

Grafiek 1: Tentoonstellingen van gesubsidieerde en niet-gesubsidieerde organisatoren (2013 en 2014).

Grafiek 1 laat zien dat het aantal tentoonstellingen dat door niet-gesubsidieerde (651 of 46,83%) of door gesubsidieerde organisatoren (656 of 47,19%) ingericht werd, ei zo na gelijk verdeeld is. Van 83 evenementen (5,97%) zijn de organisatoren niet bekend in de UiTdatabank. Die konden dan ook niet getypeerd worden.

Binnen het gesubsidieerde en het niet-gesubsidieerde segment onderscheiden we op een tweede grafiek diverse subtypes. De linkse taart bundelt de gesubsidieerde initiatieven, de rechtse de niet-gesubsidieerde.

Grafiek 2a: Types van organisatoren (al dan niet gesubsidieerd) volgens aantal tentoonstellingen

Gesubsidieerd

Binnen het gesubsidieerde aanbod, op de rechtse taart, maken we een onderscheid tussen organisatoren die ondersteund worden op het Vlaams niveau (respectievelijk kunstenorganisaties, erfgoed- en onderwijsinstellingen) of via het lokale cultuurbeleid (voornamelijk cultuurcentra, maar ook gemeentelijke diensten.)

Kunsten - 24,41% van het totaal

Bijna een vierde van het totale aanbod komt op rekening van initiatiefnemers die via bovenlokaal kunstenbeleid worden ondersteund. Naast tentoonstellingen in federale instellingen en in instellingen in Brussel die worden gesteund door de Franse Gemeenschap, gaat het hoofdzakelijk om initiatieven van spelers uit het Kunstendecreet.

Het gaat bijvoorbeeld om tentoonstellingen die plaatsvinden in kunsthallen als Wiels, BOZAR en Argos in Brussel, Extra City in Antwerpen, Museum Dhondt-Dhaenens in Deurle, Museum M in Leuven, Netwerk in Aalst en Z33 in Hasselt. Het zijn tentoonstellingsplekken met een presentatie- en publieksfunctie. Een aantal van deze initiatieven heeft een gemengde subsidiestructuur, waarbij de Vlaamse subsidies via het Kunstendecreet gecompleteerd worden met subsidies op andere beleidsniveaus. Omdat zij de Kunstendecreetsubsidies ontvangen voor hun kunsthalwerking, plaatsen we hen binnen deze categorie.

Wat verder het Vlaamse kunstenbeleid betreft, gaat het soms ook over kleinere organisaties voor beeldende kunst. 142 tentoonstellingen werden georganiseerd door smallspaces, die structureel of projectmatig worden gesteund via het Kunstendecreet. Enkele voorbeelden: Croxhapox en KIOSK in Gent, LLS 387, Lokaal 01, AIR en Objectif Exhibitions in Antwerpen, Voorkamer in Lier, WARP in Sint-Niklaas, CIAP in Hasselt, Etablissement d’en Face, Komplot en iMAL in Brussel...

Ten slotte zijn er tentoonstellingen van multidisciplinaire organisatoren, festivals of kunstencentra, die soms incidenteel en soms met enige regelmaat tentoonstellingen organiseren. Denk bijvoorbeeld aan de permanente beeldendekunstwerking van STUK, aan een gelegenheidsexpo in een theaterhuis of tijdens een filmfestival of de tentoonstelling Private Shelter van Vrijstaat O. in Oostende.

Erfgoed - 10,71%

De erfgoedcategorie bundelt (structureel gesubsidieerde) spelers die niet alleen tentoonstellingen organiseren, maar ook een collectie beheren. Daarbij tellen we de musea voor actuele kunst (M HKA, S.M.A.K, Mu.ZEE en het Middelheimmuseum). Deze categorie omvat ook musea waarvan de collectie niet uit actuele beeldende kunst bestaat, maar die wel een tentoonstelling binnen dit domein organiseerden, zoals bijvoorbeeld het Groeningemuseum in Brugge of het Guislainmuseum in Gent.

Hoger kunstonderwijs - 3,90%

Een laatste categorie van organisatoren bundelt onderwijsinstellingen. Tentoonstellen is er verbonden met onderwijstaken. De tentoonstellingen zijn meestal publieke toonmomenten met werk van (afstuderende) studenten.

Cultuurcentra en stadsdiensten - 9,49%

In een laatste categorie komen de activiteiten aan bod die met structurele steun van lokale overheden (provincies, steden of gemeenten) of in het kader van het lokale cultuurbeleid tot stand kwamen. Enerzijds gaat het om tentoonstellingsprojecten van gemeenschaps- of cultuurcentra of bibliotheken. Anderzijds zijn er initiatieven waarbij de stad of gemeente zelf als organisator optreedt. Het kan gaan over een door een lokale overheid ingerichte prijs voor beeldende kunst waaraan een tentoonstelling gekoppeld is, of een tentoonstelling in samenwerking met een stadsdienst (toerisme, cultuur) waarin professionele beeldende kunst of kunstenaars betrokken zijn.

Niet-gesubsidieerd

Binnen het niet-gesubsidieerde aanbod maken we een onderscheid tussen kunstbeurzen, promotiegaleries, offspaces en expo’s van privéverzamelaars die hun collectie openstellen. De overgrote meerderheid van de organisatoren binnen het niet-gesubsidieerde segment heeft dus een commerciële structuur: vooral galeries (36,95% van het totale aanbod) en in mindere mate kunstbeurzen (0,46%). Twee kleinere subcategorieën hebben een non-profitprofiel. Ten eerste zijn er onafhankelijke tentoonstellingsinitiatieven in zogenaamde (tijdelijke of permanentere) offspaces (5,97%). Het gaat hier om zelforganisatie-initiatieven van kunstenaars of curatoren die alternatieven opzetten voor soms schaarse tentoonstellingsmogelijkheden. Vijf procent van het tentoonstellingsaanbod gaat uit van privéverzamelaars.

Hoe lang duren tentoonstellingen?

Zeker in een discussie over de geografische spreiding en publieke toegankelijkheid van beeldende kunst is het cruciaal om rekening te houden met het feit dat nogal wat promotiegaleries zich richten op een select publiek van kopers en peers. De schaal van deze expo’s is relatief klein en er wordt geprogrammeerd met een grote regelmaat: gemiddeld 5 à 6 tentoonstellingen per jaar. Meestal gaat het om de presentatie van nieuw werk van één of meerdere kunstenaars van de galerie. Een minderheid van de tentoonstellingen die in een galerie tot stand komt, zijn gecureerde groepstentoonstellingen waar ook werk wordt vertoond van kunstenaars die niet aan de galerie verbonden zijn.

Een parameter die misschien iets zegt over de schaal en publieksgerichtheid van sommige initiatieven, is de duurtijd van de expo’s. Grafiek 2b is dan ook een variant op grafiek 2a, die niet het aantal tentoonstellingen optelt, maar wel het aantal dagen dat een tentoonstelling liep.

Grafiek 2b: Types van organisatoren (al dan niet gesubsidieerd) volgens duurtijd tentoonstellingen

Grafiek 2b geeft opnieuw alle types van organisatoren weer, maar dit keer niet volgens het aantal tentoonstellingen (zoals op grafiek 2a), maar volgens de opgetelde duurtijd van al die expo’s (uitgerekend als het verschil tussen de opening en de einddatum van de tentoonstellingen). Dan gaan de verhoudingen aan het schuiven. Om te beginnen wordt de rode taart groter dan de blauwe, want de grootte van beide schijven staat in relatie tot de grootte van het aanbod. Algemeen wordt de verhouding van het gesubsidieerde segment dus groter dan dat van het niet-gesubsidieerde.

Binnen het gesubsidieerde segment wordt het aandeel van musea veel groter. Binnen het niet-gesubsidieerde segment wordt het aandeel van de privéverzamelaars groter. Als die hun collectie openstellen voor het publiek, is dat vaak voor langere tijd.

Het aandeel van de galeries zakt van 36,95% naar 27,40% van het totale aanbod. Vele commerciële initiatieven zijn in mindere mate publieksgericht en kleinschaliger. Grafiek 3 geeft de gemiddelde duurtijd van tentoonstellingen weer naargelang van de verschillende categorieën van initiatiefnemers. De gemiddelde duurtijd van alle tentoonstellingen samen is 50 dagen, zoals hierboven gezegd. Voor de gesubsidieerde initiatieven is dat 62 dagen, voor de niet-gesubsidieerde slechts 40. Grafiek 3 laat de verschillen zien tussen verschillende (sub)categorieën. Daarbij verfijnen we de bovenstaande typologie, om de verschillen tussen de types organisatoren nog beter uit de verf te laten komen.

Grafiek 3: de gemiddelde duurtijd van een tentoonstelling, naargelang van het type organisator.

Binnen het niet-gesubsidieerde segment valt het grote verschil op tussen enerzijds de (vanzelfsprekend) korte looptijd van kunstbeurzen, en anderzijds de lange duur van de opengestelde collecties van privéverzamelaars (gemiddeld 127,8 dagen). Tentoonstellingen bij promotiegaleries duren gemiddeld 40,1 dagen, bij offspaces ongeveer even lang.

Wat het gesubsidieerde luik betreft, zien we dat de tentoonstellingen bij collectiebeherende instellingen het langst toegankelijk zijn. Binnen het Kunstendecreet zie je dat de expo’s bij multidisciplinaire kunstencentra en festivals minder lang duren dan bij werkingen die zich specifiek op beeldende kunst richten. De evenementen bij de grotere kunsthallen duren niet heel veel langer dan bij de kleinere smallspaces. Maar het is vooral interessant om deze kleinere gesubsidieerde projectruimtes te vergelijken met de niet-gesubsidieerde tegenhangers, de offspaces.

De tentoonstellingen bij de gesubsidieerde smallspaces zijn gemiddeld 50% langer open dan de niet-gesubsidieerde offspaces. Dat geeft aan dat de Vlaamse subsidies deze kleine en kwetsbare spelers in staat stellen te investeren in een grotere publieke toegankelijkheid.

In welke provincies zijn de tentoonstellingen te zien (binnen of buiten de steden)?

Waar vonden al die tentoonstellingen plaats? Om te beginnen maken we een onderscheid tussen de verschillende Vlaamse provincies en daarnaast het Brussels Hoofdstedelijk Gewest. We bekijken ook of de tentoonstellingen binnen of buiten een stedelijke context plaatsvonden. Net zoals we dat deden bij onze analyse van het concertaanbod in Vlaanderen en Brussel, geven we de ‘mate van verstedelijking’ weer aan de hand van een driedeling. We maken een onderscheid tussen

  1. de grotere steden (Antwerpen, Gent, Brussel),
  2. de elf overige centrumsteden (Aalst, Brugge, Genk, Hasselt, Kortrijk, Mechelen, Leuven, Oostende, Roeselare, Sint-Niklaas en Turnhout),
  3. alle andere gemeenten buiten de centrumsteden.
Grafiek 4a: aantal tentoonstellingen per provincie (en mate van verstedelijking)

Grafiek 4a laat zien hoeveel tentoonstellingen er in 2013 en 2014 plaatsvonden in de verschillende provincies en het Brussels Hoofdstedelijk Gewest. In Brussel is het tentoonstellingsaanbod afgetekend het grootst: in 2013 en 2014 vonden daar 547 tentoonstellingen voor actuele beeldende kunst plaats. Dat is substantieel meer dan in elk van de vijf Vlaamse provincies. Op het Vlaamse grondgebied valt het grote verschil op tussen enerzijds de provincies Antwerpen en Oost-Vlaanderen, en anderzijds West-Vlaanderen, Limburg en Vlaams-Brabant. Het aanbod in Antwerpen en Oost-Vlaanderen is groter, wat op rekening komt van de steden Antwerpen en Gent. In West-Vlaanderen, Limburg, en Vlaams-Brabant is het aandeel van de centrumsteden dan weer relatief groot.

Grafiek 4b: aantal tentoonstellingen per provincie, per 10.000 inwoners

Deze verhoudingen tussen de provincies worden nog scherper als je de cijfers corrigeert naargelang van inwonersaantallen. Grafiek 4b geeft het aantal tentoonstellingen per provincie weer per 10.000 inwoners. Dat het aanbod in Brussel erg groot is, komt zo nog veel sterker uit de verf. Per hoofd van de bevolking vinden er in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest drie keer zoveel tentoonstellingen plaats als in de provincies Antwerpen of Oost-Vlaanderen. Vooral in West-Vlaanderen zijn de centrumsteden erg actief.

Grafiek 5: aandeel tentoonstellingen binnen en buiten de steden

De twee varianten op grafiek 4 (verdeling over de provincies) suggereren al dat een groot aandeel van de tentoonstellingen plaatsvindt in een stedelijke context. Dat wordt bevestigd door grafiek 5, een taartje dat laat zien welk aandeel van de tentoonstellingen plaatsvond in, opnieuw, onze driedeling: de grote steden (Antwerpen, Gent en Brussel), de overige centrumsteden en buiten de centrumsteden. Maar liefst 84% van het aanbod aan actuele beeldende kunst vinden we terug in stedelijk gebied. Uiteraard weegt Brussel opnieuw door. De negentien gemeenten van Brussel tekenen voor 39,24% van het totale tentoonstellingsaanbod.

Welke types van organisatoren zijn actief binnen en buiten een stedelijke omgeving?

In het bovenstaande zagen we om te beginnen dat er heel diverse spelers tentoonstellingen opzetten voor actuele beeldende kunst: al dan niet gesubsidieerd, al dan niet met winstoogmerk, of ondersteund binnen verschillende beleidskaders (kunsten, erfgoed, lokaal cultuurbeleid, onderwijs…). Vervolgens zagen we dat het aanbod niet gelijk verdeeld is over de provincies, vooral omdat het geconcentreerd is in de grotere steden: in hoofdzaak Brussel, Antwerpen en Gent. Maar ook in de centrumsteden zijn er heel wat tentoonstellingen te zien.

84% van het aanbod is in Brussel en de Vlaamse centrumsteden te zien.

In wat volgt, zoomen we in op de rol van de verschillende types van (al dan niet gesubsidieerde spelers) bij de geografische spreiding van het aanbod aan tentoonstellingen voor actuele beeldende kunst in Vlaanderen en Brussel. Waar zijn de gesubsidieerde en niet-gesubsidieerde initiatieven meer precies gevestigd?

Grafiek 6: de ‘mate van verstedelijking’ van al dan niet gesubsidieerde initiatieven

Grafiek 6 is een variant op de vorige. Hij laat opnieuw zien waar tentoonstellingen georganiseerd worden (in de grote steden (Brussel, Antwerpen, Gent), in de overige elf centrumsteden of buiten de centrumsteden), maar maakt daarbij een onderscheid tussen de gesubsidieerde en de niet-gesubsidieerde expo’s. Het verschil springt onmiddellijk in het oog: niet-gesubsidieerde initiatieven vind je in vier vijfde van de gevallen terug in de grote steden.

Opmerkelijk is wel dat het private initiatief nauwelijks te vinden is in de centrumsteden, maar wél in landelijk gebied.

Het gaat enerzijds om galeries (Deweer Gallery in Otegem, Emergent in Veurne of William Wauters in Assenede), anderzijds ook om offspaces (PAK in Gistel, of Villa de Olmen in Wieze). Daarbij moeten we oppassen voor veralgemeningen. Dit verschijnsel doet zich niet in gelijke mate voor over het hele Vlaamse grondgebied. Dat blijkt uit grafiek 7, die de verdeling over de verschillende provincies laat zien van alle niet-gesubsidieerde initiatieven buiten de centrumsteden.

Grafiek 7: alleen het aantal tentoonstellingen van de verschillende types van niet-gesubsidieerde organisatoren buiten de (centrum)steden.

De niet-gesubsidieerde initiatieven buiten de (centrum)steden vind je hoofdzakelijk terug in West- en Oost-Vlaanderen. Het gaat daarbij overigens zowel om galeries als om non-profitoffspaces. In Limburg of Vlaams-Brabant, en ook in Antwerpen, is het fenomeen nauwelijks waarneembaar.

Als we even teruggaan naar grafiek 6, dan blijken de gesubsidieerde initiatieven geografisch toch veel beter gespreid te zijn. Je vindt ze nog steeds in drie vijfde van de gevallen terug in Brussel, Gent of Antwerpen. Het aanbod aan actuele beeldende kunst in de centrumsteden is dus erg afhankelijk van overheidsinitiatief. Op de volgende grafiek kijken we meer in detail naar de rol van deze verschillende categorieën van organisatoren bij de geografische spreiding van het aanbod binnen en buiten de steden.

Grafiek 8a: de activiteit van de verschillende types van organisatoren binnen en buiten de (centrum)steden

Grafiek 8a laat zien hoeveel tentoonstellingen er worden georganiseerd door de verschillende types van organisatoren in respectievelijk de grote steden (Brussel, Gent en Antwerpen), de overige elf centrumsteden en buiten de centrumsteden. Kijken we om te beginnen naar ‘de grote drie’, dan zien we inderdaad dat zeer veel verschillende initiatieven daar zijn geconcentreerd. Hier vind je niet alleen het grootste deel van de galeries. Maar het is ook hier dat je de kunstopleidingen vindt, waar verzamelaars hun collecties openstellen, waar kunstenaars en curatoren alternatieve experimentele projectruimtes opzetten (al dan niet met subsidies) en waar men kunstbeurzen organiseert. In de grote steden vind je uiteraard ook vele andere initiatieven die door het kunsten- of het erfgoedbeleid worden ondersteund of geïnitieerd. Een hoofdzakelijk federaal ondersteunde speler als BOZAR vind je vanzelfsprekend alleen in Brussel terug. Het resultaat is een erg geconcentreerd tentoonstellingsaanbod, vooral in de hoofdstad.

Het beeld in de centrumsteden is duidelijk minder gevarieerd. Grafiek 6 liet al zien dat niet-gesubsidieerd initiatief hier eerder uitzonderlijk is. Des te groter wordt het belang van gesubsidieerde initiatieven, die niet gering zijn en divers zijn qua achtergrond. Ook hier zie je een aantal initiatieven terug die door het Vlaamse kunstenbeleid worden ondersteund: bijvoorbeeld de kunsthalwerking van Museum M of CIAP te Hasselt, maar ook multidisciplinaire organisatoren zoals Buda of Vrijstaat O. Eerder uitzonderlijk zien we hier cultuurcentra met een groot aanbod, zoals dat wel het geval is bij CC Hasselt en CC Mechelen. De provincies zijn erg actief in de centrumsteden: grotere spelers zoals Z33 (Hasselt), Mu.ZEE (Oostende) en Cultuurcentrum de Warande (Turnhout) worden hoofdzakelijk op dit beleidsniveau ondersteund.

Buiten de centrumsteden wordt het plaatje opnieuw diverser: opnieuw zien we een mix van gesubsidieerd en niet-gesubsidieerd initiatief. We stipten al aan dat een aantal galeries en offspaces zich buiten de steden vestigen, maar dat dit verschijnsel zich vooral in Oost- en West-Vlaanderen blijkt voor te doen. Wat de gesubsidieerde initiatieven buiten de centrumsteden betreft, zijn Vlaams ondersteunde spelers op het vlak van kunsten en erfgoed eerder uitzonderlijk (denk wel aan Voorkamer in Lier of Museum Dhondt-Dhaenens te Deurle). De provincie West-Vlaanderen ondersteunt Be-Part (Waregem). Maar het aandeel van het lokaal cultuurbeleid wordt dan weer groter. Enerzijds gaat het om initiatief van grotere cultuurcentra zoals die van Strombeek en Roeselare. Maar er is ook aanbod in zeer diverse steden en gemeenten als Ronse, Menen, Puurs, Knokke-Heist of Ninove.

Net als op grafiek 6 zien we ook hier dat het niet-gesubsidieerde initiatief hoofdzakelijk de grotere steden opzoekt. Omdat het daarbij wel nuttig is om ook even in te zoomen op de verschillen tussen Brussel, Gent en Antwerpen, doen we dat op grafiek 8b.

Grafiek 8b: de activiteit van de verschillende types van organisatoren in Brussel, Gent en Antwerpen

Opnieuw blijkt de grote dynamiek van de beeldendekunstscene in Brussel. Het is hier dat het grootste deel van de galeries zich vestigen. Het fenomeen van de galeries in Brussel springt erg in het oog. Hierop zoomt Kunstenpunt scherper in in onze doorlichting van de galeries in Vlaanderen en Brussel. Daarbij hebben we niet alleen aandacht voor waar die galeries gevestigd zijn, maar ook hoeveel kunstenaars ze vertegenwoordigen, vanwaar die kunstenaars komen, en voor de activiteiten van de galeries op kunstbeurzen in binnen- en buitenland.


Conclusies

(Afbeelding: Citadel’arte Diest )

De cijfers in hun context

Organisatoren met heel diverse achtergronden zetten in Vlaanderen en Brussel tentoonstellingen op voor actuele beeldende kunst. In de kalender van BAM en H ART is de helft van de initiatiefnemers gesubsidieerd, de andere helft niet. Gesubsidieerde spelers worden ondersteund binnen verschillende beleidskaders (kunsten, erfgoed, lokaal cultuurbeleid, onderwijs, toerisme…) en door verschillende beleidsniveaus (federaal, Vlaams, provinciaal en gemeentelijk). Binnen het niet-gesubsidieerde is het overgrote deel profit (doorgaans galeries), slechts een klein deel non-profit. Naast een beperkt aantal verzamelaars die hun collecties openstellen, gaat het over beeldend kunstenaars en organisatoren die zelf presentatieplekken creëren (offspaces).  

Uit de bovenstaande cijferanalyses kwam naar voor dat de dynamiek van samenspel tussen deze verschillende types van spelers lokaal echter sterk verschilt.

Het aanbod hedendaagse beeldende kunst situeert zich vooral in de steden. Slechts zestien procent van het aanbod vinden we buiten de centrumsteden. Bijna veertig procent van het tentoonstellingsaanbod is te zien in Brussel, nog eens dertig procent in Antwerpen en Gent en vijftien procent in de andere elf Vlaamse centrumsteden opgeteld.

Brussel, Antwerpen, Gent als hotspots voor beeldende kunst

Om te beginnen zoekt actuele beeldende kunst vooral de (grote) stad op. Hier zie je de grootste diversiteit aan verschillende types van spelers. Groot en klein, gesubsidieerd of niet,... ze vullen elkaar aan, zoeken elkaar fysiek op in specifieke buurten en wijken en vormen zo aantrekkingspolen voor zowel professionals als verschillende soorten publiek. In Brussel clusteren galeries zich rond de Louizalaan en de Dansaertstraat. Extra City in Antwerpen clustert enkele kleinere gesubsidieerde organisaties in zijn gebouw en in de buurt zijn er kleine ruimtes, offspaces en grote en kleine promotiegaleries.

Alleen in de steden Brussel, Antwerpen en Gent is die diversiteit en concentratie het grootst.

Brussel heeft veruit het grootste aantal initiatieven. Gemiddeld is er elke anderhalve dag een vernissage.

Het gesubsidieerd aanbod bestaat zowel uit initiatieven die ondersteund worden door de federale overheid, Vlaamse Gemeenschap, VGC, Federatie Wallonië-Brussel en COCOF (of een samenwerking). Bovendien oefent de hoofdstad een aantrekkingskracht uit op de kunstmarkt, die zich ondanks de crisis sterk manifesteert. Steeds meer promotiegaleries uit binnen- en buitenland hebben zich de voorbije jaren in Brussel gevestigd. Die optelsom van publieke en private initiatieven verklaart waarom het aanbod in Brussel cijfermatig veel groter is dan in de twee andere steden, hoewel de basisprincipes van interactie in diversiteit dezelfde zijn.

Het grote aantal tentoonstellingen van private spelers in steden vraagt enige toelichting omdat ze een andere publieke rol opnemen dan gesubsidieerde initiatieven. Dat is belangrijk binnen de context van het debat over de spreiding van actuele kunst. Promotiegaleries zijn in de eerste plaats gericht op de promotie van hun kunstenaars en op verkoop. Ze richten zich daarom op een selectief publiek van professionals, kopers en ingewijden. Ze vestigen zich in de betere of opkomende wijken. Ze hebben beperkte openingsuren, vaak moet je aanbellen en ze werken verder op afspraak. Ook al zorgen vernissages van bekendere kunstenaars soms voor honderden bezoekers, toch zijn deze initiatieven niet altijd even publieksgericht. Dit soort van plekken ontplooit weinig mogelijkheden om het gepresenteerde werk breed te promoten of educatief te omkaderen naar een breder of diverser publiek, zoals publieke instellingen dat wel doen.

Ook offspaces vinden we hoofdzakelijk in een grootstedelijke context. Ze zijn in de eerste plaats gericht op professionals en peers, organiseren op onregelmatige tijdstippen tentoonstellingen en events die via de eigen kanalen worden gecommuniceerd, waardoor ze niet erg zichtbaar zijn. Deze niet-gesubsidieerde non-profitinitiatieven zijn kwetsbaar en zijn doorgaans niet bedoeld om lang te bestaan. Een vergelijking van de duurtijd van hun expo’s met die van beeldendekunstprojecten en smallspaces die via het Kunstendecreet worden ondersteund, suggereert dat die laatste wel over meer mogelijkheden beschikken om te investeren in schaal en publiekswerking. De tentoonstellingen bij de gesubsidieerde smallspaces lopen bijna dubbel zo lang als die bij hun niet-gesubsidieerde tegenhangers. Maar, ook al zijn ze kwetsbaar, deze initiatieven vormen een belangrijke schakel tussen lokaal en internationaal talent en een lokaal publiek van kenners, kopers en geïnteresseerden.

Ten slotte openen private verzamelaars of mecenassen tentoonstellingsruimtes, ofwel rond hun eigen collecties, ofwel ondersteunen ze financieel tentoonstellingsruimtes die het profiel hebben van de professionele kleine ruimtes. Ze communiceren via de geijkte kanalen. Daardoor zijn ze iets zichtbaarder dan offspaces. Ze zijn een aanvulling op de publieke instellingen die op Vlaams en lokaal niveau worden gesteund, maar zullen nooit inzetten op publiekswerking, actieve participatie en lokale verankering in een netwerk zoals de publieke instellingen dat wel doen.

Steden en centrumsteden: samenspel van verschillende beleidsniveaus

Om tot een dynamisch samenspel te komen tussen verschillende types spelers, zijn publieke investeringen essentieel. Gesubsidieerde initiatieven met een grote zichtbaarheid en uitstraling trekken ook andere private initiatieven aan. Die kunnen op hun beurt weer impulsen geven aan het lokaal beleid. Dat hebben we de voorbije jaren zien gebeuren.

De beeldende kunst komt in Vlaanderen pas echt tot bloei sinds de jaren 2000 onder impuls van het (beeldende)kunstbeleid van de Vlaamse Gemeenschap. Daarvoor waren er -- naast de musea voor hedendaagse kunst, opgericht door de steden (Middelheimmuseum en S.M.A.K.), de Provincie West-Vlaanderen (PMMK, nu Mu.ZEE) en de Vlaamse Gemeenschap (M HKA) -- alleen kunsthallen (zoals ICC in Antwerpen of BOZAR in Brussel en verder projectorganisaties en galeries.

Impulsen via het Kunstendecreet hebben voor een nieuwe dynamiek gezorgd in verschillende steden. De bloei van Brussel in het voorbije decennium zou bijvoorbeeld nooit zo sterk zijn geweest zonder een initiatief als Wiels, dat in 2007 de deuren opende. Niet alleen in Brussel, Antwerpen en Gent, maar ook in centrumsteden als Hasselt, Leuven, Mechelen, Aalst of Mechelen (of in kleinere steden als Lier) heeft het Kunstendecreet voor een versterking gezorgd voor de presentatie van beeldende kunst. Vooral voor de centrumsteden blijkt dit soort van Vlaamse ondersteuning cruciaal te zijn. Het is namelijk een opvallende vaststelling dat niet-gesubsidieerd privé-initiatief vooral de ‘grote drie’ steden en landelijke regio’s (vooral Oost- en West-Vlaanderen) opzoekt, maar in de centrumsteden nauwelijks terug te vinden is.

In de centrumsteden zie je dat de ‘basisinfrastructuur’ voor de presentatie van actuele beeldende kunst echter nooit louter op Vlaams niveau wordt ondersteund.

Veel belangrijke presentatieplekken worden door verschillende beleidsniveaus ondersteund, niet zelden voor aparte onderdelen van hun werking.

Denk bijvoorbeeld aan Z33 (Hasselt), De Warande (Turnhout) of aan Museum M (Leuven), allemaal provinciale of stedelijke instellingen die voor deelwerkingen meerjarig worden ondersteund via het Kunstendecreet (al dan niet via aparte vzw’s). Bij uitbreiding geldt dat ook voor presentatieplekken in de grote steden en buiten de centrumsteden (bijvoorbeeld het cultuurcentrum van Strombeek).

Onder impuls van die grotere zichtbaarheid van beeldende kunst -- mede mogelijk gemaakt door het Kunstendecreet -- zijn andere centrumsteden en kleinere steden de laatste tien jaar meer gaan investeren in een kunstenbeleid. Zo wordt stilaan ook buiten de grote steden een netwerk voor de presentatie van actuele beeldende kunst ontwikkeld.

Het stedelijk kunstenbeleid gaat verder dan de subsidiëring van instellingen als musea of cultuurcentra en betreft ook het ondersteunen van grote projecten zoals stadstentoonstellingen of kunstenparcours (bv. Cuesta in Tielt, Coup de ville in Sint-Niklaas, Private Shelter in Oostende) of ze experimenteren met kunstopdrachtenbeleid (bv. De Unie Hasselt-Genk).  Dergelijke stadstentoonstellingen worden meestal mee ondersteund vanuit toerisme en/of stedelijke ontwikkeling. In de centrumsteden leidt dit nieuwe beleid echter (voorlopig) niet tot het aantrekken van profitspelers.

Lokaal initiatief: kiemen van nieuwe ontwikkelingen

Kwantitatief is het aanbod aan actuele beeldende kunst buiten de (centrum)steden veel beperkter. Die constatering verbaast niet. Het overheidsinitiatief voor de spreiding van beeldende kunst buiten de musea is altijd beperkt geweest. We stelden hierboven al dat de beeldendekunstsector niet kon profiteren van de ontwikkeling en professionalisering van het netwerk van cultuurcentra (inclusief budget en infrastructuur) sinds de jaren 1980. Onder impuls van het Vlaamse sectorbeleid ter zake én van diverse spreidingsinitiatieven uit het veld zelf, richtten de cultuurcentra zich hoofdzakelijk op podiumkunsten en muziek. Enkele cultuurcentra en lokale kunstenaarsinitiatieven speelden nog wél een pioniersrol voor beeldende kunst in de jaren 1980, maar in de jaren 1990 boette die in aan belang. Ook private presentatie-initiatieven blijken hoofdzakelijk gesitueerd in de grotere steden (Brussel, Antwerpen en Gent) en in landelijk gebied, vooral dan in West- en Oost-Vlaanderen. Zij realiseren geen geografische spreiding.

Hoe de situatie er anno 2014 uitziet, lezen we in de cijfers. De analyses van vooral theater en muziek wijzen op de cruciale rol van het netwerk van cultuurcentra, zowel binnen als buiten de centrumsteden, voor de zeer brede, geografische spreiding van concerten en podiumvoorstellingen. Maar voor actuele beeldende kunst zijn de presentatiemogelijkheden veel beperkter. Toch zijn die niet afwezig. Binnen de centrumsteden zijn er cultuurcentra die met enige regelmaat expo’s organiseren, zoals CC Mechelen, CC Brugge, 30CC (Leuven), C-Mine (Genk), CC Hasselt. Ook buiten de centrumsteden zijn een aantal cultuurcentra erg actief: niet enkel in de grotere A-centra in de Vlaamse rand rond Brussel (Strombeek), maar ook in kleinere steden en gemeenten als Heist-op-den-Berg, Maasmechelen, Ronse of Bornem.

Enkele cultuurcentra ontwikkelen een beeldendekunstprofiel dat zich kan meten met dat van landelijk gesubsidieerde organisaties. Daarnaast zijn er ook cultuurcentra die infrastructuur ter beschikking stellen aan lokale initiatieven (lokale kunstenaars, deeltijds kunstonderwijs, amateurkunstenverenigingen) of thematische tentoonstellingen boeken die hen worden aangeboden en ten slotte de cultuurcentra die geen beeldende kunst programmeren. Wanneer cultuurcentra actief werken met amateurkunstenaars en een mix van professioneel en amateur programmeren, worden ze opgenomen in de kalender van Kunstenpunt en H ART en dus meegenomen in deze gegevensanalyse. Indien ze alleen een zaal ter beschikking stellen voor diverse tentoonstellingsvoorstellen werden ze niet opgenomen. Indien we alle ‘tentoonstellingen voor beeldende kunst’ optellen die werden ingevoerd in de UiTdatabank (zoals we deden voor muziek en podiumkunsten) zullen we meer cultuurcentra tellen met een ‘beeldendekunstprogramma’.

Een bevraging van Kunstenpunt over de plek van actuele beeldende kunst bij cultuurcentra, levert op dat er bij enkele cultuurcentra veel zin is om sterker in te zetten op beeldende kunst.

Uit best practices vandaag leer je dat gebrek aan tentoonstellingsinfrastructuur in cultuurcentra en in steden en gemeenten alvast geen hinderpaal hoeft te zijn om op lokaal niveau aan de slag te gaan met beeldende kunst.

Tentoonstellingen kunnen op andere plekken worden georganiseerd. Kunstenaars kunnen worden uitgenodigd om een werk te maken in situ of binnen een lokale gemeenschap, met residenties voor een korte of een lange periode. Kennis, netwerken, tijd en werkingsmiddelen zijn daarentegen wel cruciaal om beeldende kunst op lokaal niveau te presenteren.